Eric_Leenman

Eric Leenman is senior interim-professional bij Yacht Embedded Systems.

4 October 2013

In de FPGA-markt hebben bedrijven de afgelopen dertig jaar een concurrentieslag gevoerd. Door steeds nieuwe features toe te voegen en goed te luisteren naar de klant hebben ze met hun componenten het principe van Darwins survival of the fittest toegepast. Sinds de jaren tachtig zijn diverse FPGA-bedrijven uitgestorven en hebben de grootste overgebleven partijen Xilinx, Altera, Lattice en Actel/Microsemi de wereld veroverd.

Een belangrijke kracht in deze overlevingsstrijd is het gemak van de geleverde FPGA-features. Met bijgeleverde tools genereer je zo een PCI Express- of DDR3-interface. En op een ontwikkelkit werkt het vaak out of the box. Dit helpt de klant enorm bij de ontwikkeling en projectplanning. Maar een neveneffect is dat bedrijven in een vendor lock-in terechtkomen bij hun FPGA-leverancier.

Door dit mechanisme stopt het natuurlijke-selectieproces bij een bedrijf. Als bedrijven of ontwikkelaars eenmaal hebben gekozen voor een FPGA-fabrikant, werken ze nooit meer met een FPGA van een concurrerend merk. Het is bijna een religieuze overtuiging om bij die eerste keuze te blijven. ’We doen al jaren FPGA-designs met deze leverancier.‘ ’Waarom?‘, vraag ik dan. Los van ’Dit is echt de allerbeste FPGA-leverancier‘ blijken angst voor nieuwe tooling, geen zin om aanpassingen in bestaande designs door te voeren, extra kosten en onbekendheid met andere FPGA-types meestal de boosdoener.

Deze bijna extremistische overtuiging komt zelfs voor bij degenen die het FPGA-beleid uitzetten bij een bedrijf. Een paar jaar geleden kreeg ik in een bespreking over een aanpassing op een bestaand bord het advies om niet de laatste FPGA-familie van de voorkeursleverancier te nemen, maar de voorlaatste, omdat bepaalde functionaliteit niet in de nieuwste zat. Een nieuw ontwerp met verouderde technologie dus. Toen ik zei dat een andere FPGA-leverancier deze technologie al een jaar in productie had, kon de betreffende beleidsmaker dit merk niet blokkeren, maar zijn betrokkenheid was daarna tot nul gereduceerd.

Het bord had al veel functionaliteit met analoge en digitale chips. Daar moest nu nog meer aan worden toegevoegd, en voor externe componenten had ik gewoon geen ruimte. De VHDL-code gebruikte dedicated features van de FPGA van de voorkeursleverancier, maar die was eenvoudig om te zetten. Het interne FPGA-Ram was geen issue, en door wrappers om de FPGA-technologieafhankelijke cores te zetten, hoefde er weinig aan het bovenliggende design te worden aangepast, aangezien de architectuur goed doordacht was. Ik heb toen inkoop laten onderhandelen met twee FPGA-leveranciers over de prijs en heb uiteindelijk gekozen voor de FPGA met interne functionaliteit die ik nodig had. Het scheelde vermogen, complexiteit, bordlagen, ontwikkeltijd en natuurlijk kosten.

Én het zette de voorkeursleverancier weer op scherp. Als bedrijf toonden we aan dat we niet van hen afhankelijk zijn en dat we daadwerkelijk durven te switchen als een ontwerp daarom vraagt. Bij de voorkeursleveranciers waren ze duidelijk geschrokken dat ze het niet geworden waren, want onze inkoopafdeling kreeg het voor elkaar om een behoorlijk scherpere prijs te bedingen voor hun duurste FPGA‘s. En in hun volgende generatie zat deze functionaliteit gewoon geïntegreerd.

Als je twee of meer FPGA-omgevingen kent, ben je veel breder inzetbaar. En soms kun je zo toch de laatste FPGA-technologie in de laatste tooling gebruiken. Geloof in een leverancier is goed, maar staar je er niet blind op.

Ook is deze kennis waardevol als ineens blijkt dat het bedrijf waar je werkt de survival of the fittest niet overleeft. Of als je zelf niet meer fit in het bedrijf, en je je geluk wilt gaan beproeven in een ander FPGA-klimaat.