Lennart_Tange_01

Lennart Tange

4 July 2011

Al bij het begin van mijn studie wist ik: het vinden van een baan is niet zo moeilijk. Er bleek overal een tekort te zijn aan mensen die doen wat ik wil doen. Dat werd iedere keer weer bevestigd als ik een event bezocht.

Nu ik mijn master bijna heb afgerond, ben ik me steeds meer gaan oriënteren op mijn carrière. De zoektocht naar een fulltime job leek makkelijker dan voor de banen die ik eerder heb gehad; ik hoef nergens meer rekening mee te houden zoals het combineren met een studie of de bereikbaarheid met de fiets. En omdat ik zowel elektrotechniek (bachelor) als software-engineering (master) heb gestudeerd, kan ik echt alle kanten op.

Voor ik mijn master begon, wilde ik altijd ’iets met embedded systemen‘ doen. Daarvoor zat ik wel goed in Eindhoven. Maar bij mijn master in Amsterdam, buiten onze eigen Silicon Valley, kwam een verrassend beeld naar boven over embedded software en de regio Eindhoven: embedded systemen zouden wat software betreft erg ’grijs‘ zijn. Er werken weinig jonge mensen en de vernieuwingen in technieken worden vooral in de hardwareontwikkeling gestuurd. Het vervelende is dat dit beeld bij het grootste deel van mijn medestudenten leeft. De term ’ondergeschoven kindje‘ voor de software komt in gesprekken met hen met enige regelmaat voorbij.

Dat er weinig jonge mensen werken, is niet per se slecht, maar wat betreft die weinig vernieuwende technieken hebben ze best wel een punt – weer mede veroorzaakt doordat er zo weinig jong bloed is. Iedereen die er werkt, ’doet het al jaren zo‘. Zo kom je bijvoorbeeld niet zo snel als in andere softwaretakken in contact met innovatieve, expressievere programmeertalen of nieuwe testmethodes, gekoppeld aan allerlei extra opleidingen. Als starter schrikt het dan ook af een carrière te zoeken in die grijze wereld van embedded systemen. Wat jammer is, want volgens mij zitten er een aantal erg getalenteerde jongens tussen mijn medestudenten.

Volgens mij zijn er echter genoeg redenen om software in de embedded-wereld juist veel hipper te laten zijn dan software voor een financiële instantie. Ontwikkelingen zijn er ook heus wel – kijk maar naar de opkomst van de modelgedreven aanpak – maar er zou best een tandje bijgeschakeld kunnen worden in de vorm van samenwerkingen bij de ontwikkeltooling. Wat dat betreft, laten we ons nog graag verrassen door wat de fabrikant met zijn chip meelevert. Tooling – denk aan compilers voor expressievere talen of verificatie en kwaliteitsmetingen van software – is vaak de link tussen het bedrijfsleven en de wetenschap. Gevonden theorieën over hoe we goede software kunnen ontwikkelen, maken via tools de vertaalslag naar de praktische wereld. Voor mij en veel van mijn medestudenten is juist die link tussen het bedrijfsleven en de academische wereld interessant. Ook zorgt juist die tooling ervoor dat er niet meer hoeft te worden gewerkt met zo‘n ’ouderwetse‘ C-compiler.

Embedded-bedrijven zouden wat meer moeten samenwerken met universiteiten of spin-offs op het gebied van tooling. Onderwerpen zat: modelgebaseerd testen, domeinspecifieke talen, broncodemetrieken, platformonafhankelijkheid, noem maar op. Studenten moeten daar dan wel bij worden betrokken; juist voor de echte bollebozen is dit aanlokkelijker dan die grote leasebak.