René Raaijmakers
14 October 2016

In ‘Natlab – Kraamkamer van ASML, NXP en de cd’ krijgt Kees Schouhamer Immink er flink van langs. Het boek stelt dat hij zichzelf nomineerde voor prijzen en dat zijn uitvindersclaim nergens op is gebaseerd. René Raaijmakers kon het zelf aanvankelijk moeilijk geloven maar raakte toch overtuigd: Immink zette de geschiedenis naar zijn hand.

Ik geef toe, het is moeilijk te geloven. Zeker omdat Kees Schouhamer Immink een van de weinige Nederlandse ingenieurs is die wereldwijde bekendheid geniet. Diverse hoogleraarsaanstellingen, een eredoctoraat aan de universiteit van Johannesburg, lid van de KNAW, bedolven onder (voornamelijk) Amerikaanse onderscheidingen en meer.

Kan het zijn dat de reputatie van juist deze man is gebaseerd op halve waarheden, slimme marketing en zelfpromotie? Ook ik wilde daar aanvankelijk niet aan. Maar toch moest ik dit voorjaar concluderen: ook ik ben door Kees Schouhamer Immink voor het lapje gehouden.

Geen welles-nietes

In het boek ‘Natlab – Kraamkamer van ASML, NXP en de cd’, dat ik samen met Bits&Chips-redacteur Paul van Gerven heb geschreven, heb ik mijn conclusies over Immink stevig neergezet. De beschuldigingen aan zijn adres zijn ernstig. Via zijn compagnon Jan Romijn nomineerde hij zichzelf voor de hoogste onderscheiding van de Amerikaanse ingenieursvereniging IEEE. Daarnaast ondergraaf ik zijn uitvindersstatus.

Het was door louter toeval dat toenmalig Philips-cto Ad Huijser en een groepsleider van het Natlab in aanraking kwamen met Imminks zelfnominaties. Huijser wilde zich aanvankelijk niet laten interviewen door mij, maar hij reageerde wel op een concepttekst die ik hem stuurde. ‘Als wetenschapper kan ik nu eenmaal slecht tegen onzinverhalen’, schreef hij.

Dat Eindhovens Dagblad hem in een artikel op 24 september neerzet als rancuneuze baas van Immink is cynisch. Hij en een aantal oud-collega’s wilden zich aanvankelijk niet eens inlaten met ons boek. Voor het deel over de compact disc voel ik me in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Daarom neem ik hier uitgebreid het woord om te vertellen hoe dat stuk van het boek tot stand is gekomen.

Behalve over de zelfnominaties kreeg ik voor de zomer uit de eerste hand te horen dat Imminks claim to fame op drijfzand berust. Duidelijk werd dat hij zijn rol bij de ontwikkeling van de compact disc buitenproportioneel heeft opgeblazen. In feite functioneerde de cd al toen zijn hulp werd ingeroepen en heeft hij samen met ruim een handvol collega’s én ingenieurs van Sony het systeem verbeterd. Hij leverde een goede bijdrage maar niet wezenlijk anders dan die van anderen. Dat hij sinds de jaren negentig poseert als uitvinder van de compact disc is een onbeschaamde brutaliteit.

Een voormalige Natlab-groepsleider vertelde me enkele jaren geleden over Imminks zelfnominatie. Zeer schoorvoetend, want hij had geheimhouding beloofd en wist dat hij een erecode brak. Maar hij zag geen andere weg. In zijn ogen ging de zelfpromotie van Immink ten koste van zijn oud-collega’s en daarom wilde hij de informatie openbaren. Hij en later Huijser beschreven hoe de zelfnominatie via Imminks compagnon Jan Romijn in zijn werk was gegaan en ik vond dat zeer overtuigend.

Dan Imminks uitvindersstatus. Hij baseert zijn claim to fame op de bewering dat hij de EFM-kanaalcodering van de cd heeft bedacht. Afgelopen voorjaar werd me echter duidelijk dat – in tegenstelling tot wat hij stelt – Immink EFM niet zelf heeft uitgevonden. De basis van de kanaalcode voor de compact disc hadden de onderzoekers Donald Tang en Lalit Bahl van IBM al gelegd. Immink borduurde voort op wat deze ingenieurs voor harde schijven hadden ontwikkeld. Dit deed hij bovendien niet alleen maar samen met Hiroshi Ogawa van Sony, die in sommige publicaties over EFM zelfs eerste auteur is. Toen steeds meer feiten tot me doordrongen, heb ik de hoofdstukken over Imminks rol in de cd-ontwikkeling voor het boek helemaal herschreven.

Aanvankelijk liet ik namelijk in het midden of Immink wel of geen genie was. Ik had daarover al tientallen mensen gesproken, maar mijn vinger kreeg ik daar nooit achter. In het voorjaar kwam ik in contact met bijna iedereen die nauw met hem heeft samengewerkt aan de kanaalcode voor de cd. Hun verhalen bevestigden het beeld van andere oud-Natlab’ers die zich zeer kritisch hadden uitgelaten over hun voormalige collega. Toen het hele plaatje klopte, een beeld dat ruim tien mensen onderschreven, was het voor mij duidelijk. Dit was geen welles-nietesdiscussie, dit was een helder verhaal dat wonderbaarlijk genoeg nog nooit was verteld.

De historie die ik heb opschreven en de conclusies die ik trek, komen nu op het volgende neer: Immink leverde goed werk, maar zijn bijdrage was vergelijkbaar met die van honderden andere Natlab-collega’s. Een genie was hij niet, wel een stokebrand. Hij heeft zich de vindingen én prestaties van anderen toegeëigend en heeft daaromheen een zeer succesvolle promotiemachine gebouwd.

In balans

Zoals me vaker is overkomen bij het verzamelen van informatie voor het Natlab-boek en het boek van ASML waaraan ik momenteel werk, was er sprake van een wonderbaarlijke samenloop van omstandigheden. Ik stond werkelijk perplex toen ik afgelopen mei de nieuwe feiten over Immink vernam en ik vind het nog steeds een raadsel waarom niemand eerder aan de bel heeft getrokken.

Ik had Immink al in 2003 uitgebreid geïnterviewd. Het resultaat: twee artikelen van meerdere pagina’s in Bits&Chips. Op deze stukken hebben we nooit een reactie ontvangen, niet een. Omdat ons blad de hightech redelijk goed afdekt, ging ik er altijd vanuit dat die verhalen redelijk klopten. Een belangrijk punt voor mij was dat Immink in die interviews toegaf dat hij niet de enige belangrijke man was uit de hele cd-geschiedenis. Al onderstreepte hij gretig dat hij tot de top behoorde.

Voor mij was Immink een van de mannen die een cruciale bijdrage hadden geleverd aan optische recording. De ontwikkeling van een complex systeem kent nu eenmaal goden en mindere goden en ik schaarde hem altijd onder de eerste categorie. In mijn beeld bestond die premier league uit een paar handenvol mensen, onder wie grootheden als Gijs Bouwhuis en Toshitada Doi van Sony. Die kopgroep bestaat, alleen is mijn beeld over Immink fors bijgesteld.

Als voorbereiding op het boek over het Natlab ben ik in 2011 nogmaals een hele ochtend bij Immink op bezoek geweest. Hij was in 1998 immers met slaande deuren bij het Natlab vertrokken en ik wilde weten waarom sommige oud-collega’s toch zo’n grondige hekel aan hem hadden. Nooit liet iemand daarover het achterste van zijn tong zien. Het bleef gezellig in café Loos, de Rotterdamse gelegenheid die Immink graag frequenteert. Zijn antwoord op mijn vragen over de irritaties bij oud-collega’s was steeds een nadrukkelijk ‘ik heb geen idee’.

Jan Romijn, de man die Immink hielp met promotie en het verkopen van patenten aan het Koreaanse LG, had ik ook uitgenodigd voor een gesprek, maar hij wilde mij niet ontmoeten. Hij speelde een rol in de door IEEE geconstateerde zelfpromotie door op te treden als referent van Immink. Romijn deed zich tegenover de IEEE voor als oud-directeur van Philips. Ad Huijser liet aan de ingenieursvereniging weten dat er bij Philips geen (oud-)directeur bekend was met de naam Romijn. Philips zelf wilde aan ons geen vragen beantwoorden over zijn oud-medewerker.

In de vijf jaren die volgden op de conversatie in Loos sprak ik met vele betrokkenen. Immink kwam altijd ter sprake. Alle oud-collega’s vonden het onterecht dat hij poseerde als uitvinder van de cd. Vooral zijn voormalige bazen ergerden zich stierlijk maar gaven voor mijn gevoel nooit voldoende feitelijke onderbouwing.

Er was ook veel gegniffel. Bijvoorbeeld over het management dat door Immink zo vaardig op de kast was gejaagd. Verschillende oud-collega’s toonden bewondering voor zijn pr-stunts. De manier waarop hij het podium pakte, vonden sommigen knap. Voor hen was de hele Immink-show amusant. Daarnaast waren er vermakelijke anekdotes, zoals over de hilarische Waldolala- en Sjef van Oekel-cultuur op de optische groep. Hoe dan ook, onder de streep veranderden al die verhalen mijn beeld over Immink aanvankelijk nauwelijks.

Harde conclusies wilde ik dus niet trekken. Ik zag het afgelopen april nog zo: Imminks zelfnominaties waren al ernstig genoeg, maar daarmee stond nog steeds de mogelijkheid open dat hij een miskend genie was. Neem Gerard van Rosmalen, een rasechte uitvinder met zeventig patenten op zijn naam. Hij liet zich bijzonder lovend uit over zijn oud-collega. Ik hechtte veel waarde aan Van Rosmalens woorden. De man liep nooit met zijn verdiensten te koop. Zijn status stond voor mij niet ter discussie. Iedereen was zonder uitzondering lovend over hem, van naaste collega’s tot researchbazen.

Dan waren er nog Ad Huijser en Marino Carasso. Huijser wilde niet voor het Natlab-boek worden geïnterviewd maar liet wel een mogelijkheid open: ik kon hem conceptteksten sturen. Bij Carasso kwam de weerzin op toen ik bleef doorvragen over zijn oud-collega. De voormalige leider van de optische groep diende zijn versie van Imminks verdiensten met enige tegenzin op. In Carasso’s beeld was hij geen groot genie; Imminks ‘uitvinden’ kwam neer op optimaliseren met de computer. Dat kon iedereen, zei Carasso.

Irritaties, weerzin, ook na een tweede gesprek met Carasso kon ik exacte feiten nog steeds moeilijk vastpakken. Voor hij groepshoofd werd, had Carasso bovendien ook gewerkt aan kanaalcodering. Zijn versie werd terzijde geschoven, die van Immink kwam uiteindelijk in het cd-systeem terecht. Ik moest dus rekening houden met kinnesinne. Zo bleef de informatie lange tijd in balans. Ik had een aantal uitgesproken meningen, meer niet. Dat leverde een leuke discussie op voor het boek. Ik wilde de lezer laten beslissen.

Natlab – Kraamkamer van ASML, NXP en de cd’ beschrijft hoe de compact disc tot stand kwam en hoe Kees Schouhamer Immink zijn werkgever Philips jarenlang in een houdgreep hield.

Vork in de steel

Maar toen gebeurde er iets interessants waardoor ik de hele discussie heb geschrapt. In een tweede gesprek dat ik afgelopen mei had met Van Rosmalen bespraken we opnieuw de rol van VPRO’s Waldolala en de Barend Servet-show. Die hilarische series speelden in de jaren zeventig een sfeerbepalende rol in de optische groep, met als acteurs Van Rosmalen, Immink en Mart Bierhoff.

Van Rosmalen karakteriseerde Bierhoff als het voormalige maatje van Immink en omdat ik hem nog niet had gesproken, zocht ik contact en maakten we een afspraak. Bierhoff schetste de technische context en de situatie waarin Philips en het Natlab verkeerden rond de jaarwisseling van 1979 en 1980, voor en tijdens de gesprekken met Sony over de cd-standaard. Tot mijn grote verbazing kon hij weinig sympathie opbrengen voor zijn voormalige maatje.

Bierhoff legde uit dat optische dataopslag niet door Philips is bedacht. In de jaren zestig was de halve wereld er al mee bezig. Wat Philips deed aan de videoplaat en cd bestempelde hij als goed ingenieurswerk, voortborduren op werk van anderen, met kleine uitvindingen en één grote: het door de plaat heen kijken van Gijs Bouwhuis. Onder de kleine viel volgens hem ook Imminks werk aan EFM. Dat voegde in zijn ogen wel iets goeds toe aan het werk dat Tang en Bahl tien jaar eerder al bij IBM hadden gedaan aan harde schijven: Immink maakte de code geschikt voor optische opslag.

Lacherig schetste Bierhoff een plaatje waarbij veel van de technologie voor optische recording door Philips was ‘gejat’. In die categorie schaarde hij ook het werk van Immink. Maar sinds zijn vertrek bij Philips heeft Immink nooit meer naar zijn voorgangers, inspirators, collega’s en Hiroshi Ogawa verwezen: hij claimt juist dat hij de uitvinder is van EFM. In de wetenschappelijke wereld is dat not done: vindingen van anderen claimen zonder je voorgangers of collega’s te noemen of te citeren.

Bierhoff trok vervolgens de rest van de middag uit om me tot in detail, puffend en zwetend, uit te leggen wat Immink nu precies wel en niet had gedaan. Ook zette hij een – voor mij zeer herkenbaar – beeld neer van hardcore hightech: een wat in zichzelf gekeerde kring van technici die zich soms onbegrepen voelen door de grote buitenwereld en waar buitenstaanders niet snel een inkijkje in krijgen. Bierhoff vertelde over zijn afscheid bij Fei Company. Toen een foto van Immink in een presentatie opdook, steeg er een hoorbaar boegeroep op uit de zaal. Hij wilde hiermee onderstrepen dat Immink zich vanwege zijn zelfpromotie niet meer in Eindhoven durft te vertonen.

Aan het einde van de middag zakte Bierhoff uitgeput op zijn stoel. Voor mij viel alles op zijn plaats: wat Immink had gedaan, was goed werk, maar niet geniaal. Bierhoff was de eerste die me dat tot in detail had uitgelegd en die het ook feitelijk onderbouwde. Wat meer: zijn uitleg sloot naadloos aan bij het commentaar dat ik ook van anderen had ontvangen, maar waarbij ik tot die tijd nog vraagtekens had gezet. Na het gesprek met Bierhoff was ik overtuigd. Ik wist nu hoe de vork in de steel stak. Daarmee zat er niets anders op dan het hoofdstuk over Immink te herschrijven. Een hoop werk, wel meer duidelijkheid.

Overtuigend

Daarna was het zaak om alles te toetsen. Mart Bierhoff hielp me met een hele lijst betrokkenen van wie ik velen helemaal niet kende. Ze hadden nooit van zich laten horen en ikzelf was blijkbaar nooit goed in de kerngroep doorgedrongen die verantwoordelijk was voor de codering en stuurelektronica van de cd.

Ik had altijd aangenomen dat Immink zo’n beetje de enige was die zich binnen de optische groep met deze zaken had beziggehouden. Mijn beeld was zoals hij het door vele media had laten optekenen. In mijn interview met hem in Bits&Chips had ik het in 2003 ook zo opgeschreven:

Philips had geen specialist op dat gebied [van coderingstechnologie]. De groep van Sony stond min of meer voor de deur en er moest een groepje ingenieurs komen van het Natlab en de ontwikkelgroep bij Audio. ‘Bulthuis vroeg mij, omdat ik de enige elektronicus was binnen de optische groep. Hij vroeg of ik er een boek over kon lezen, zodat ik toch in ieder geval kon doen alsof ik er verstand van had’, aldus Immink.

Bierhoff zei me dat hij samen met oud-collega’s op het punt had gestaan om op dit soort uitlatingen van Immink in de pers te reageren. Die uitlatingen waren talrijk. De Natlab-belhamel werd jarenlang uitgebreid door media geciteerd, zonder dat hij ooit overtuigend werd tegengesproken door Philips of oud-collega’s. Maar Bierhoff en zijn vrienden besloten uiteindelijk om het te laten liggen. Het zou te veel negatieve energie kosten.

Van Bierhoff kreeg ik de namen van iedereen die inhoudelijk iets zou kunnen zeggen over de zaak: Jacques Heemskerk, Jaap Nijboer, Peter Greve, Ronald Aarts en Joost Kahlman. Intussen had ik via een andere weg ook contact met Stan Baggen en Léon Driessen, mannen die een rol hadden gespeeld in de ontwikkeling van foutcorrectiecodes. Ook zij hebben intensief samengewerkt met Immink.

Aan die groep heb ik eerst een bericht gestuurd met de vraag of ze mijn herziene tekst wilden doornemen. Een aantal van hen stond niet direct te springen om iets tegen hun oud-collega te ondernemen. Van iedereen die antwoordde, kreeg ik een positieve bevestiging. De persoon die aanvankelijk het meest sceptisch was, merkte op: ‘Ik heb het gelezen en de sfeer klopt precies met zoals ik die mij herinner van wat ik tussen 1977 en 1984 heb meegemaakt en gehoord. Ook zag ik geen storende onjuistheden.’

Daarnaast liep er inmiddels een intensieve e-mailcorrespondentie met Huijser. Hem had ik eerder de oorspronkelijke tekst gestuurd waarin ik in het midden liet of Immink nu geniaal was of niet. Huijser stoorde zich aan de toon en onjuistheden. Maar hij nam wel de moeite om te reageren. Tot mijn verbazing zelfs zeer uitgebreid. Zijn motivatie: hij had waardering voor de manier waarop we de historie van de videoplaat en de compact disc hadden gereconstrueerd en hij wilde de beeldvorming rond Immink rechtzetten.

Bierhoffs feitelijke informatie, de aanvullingen daarop van het gezelschap codeerexperts en regeltechnici, alle interviews in de jaren daarvoor, Huijsers kanttekeningen, er viel voor mij geen speld meer tussen te krijgen: Immink was een van de handvol elektronici in de optische groep. Niet meer en niet minder. Samen hadden ze uitstekend werk verricht, complexe systemen ontwikkelen is teamwork en dat was het voor wat betreft Immink.

Ook de uitleg van Carasso werd daardoor overtuigend. De kanaalcode waaraan hij had gewerkt, was ter zijde geschoven omdat Philips anders royalty’s had moeten betalen aan 3M. Wel moet gezegd dat EFM veel beter was dan deze code, nadat Immink hem geschikt had gemaakt voor optische recording. Dat is alleen is geen uitvinders- maar ingenieurswerk. Ook Huijsers uitleg sloot aan bij de gegevens die ik ontving van Jacques Heemskerk en anderen uit het team waarvan ook Bierhoff en Immink deel uitmaakten.

Op de vlakte

Daarna heb ik nog met Chris Velzel gebeld en gemaild. Net als Gerard van Rosmalen had de Natlab-opticus zich positief uitgelaten over Immink. Velzel had hem in gesprekken neergezet als de Zwelbast, een figuur uit de Bommelstrips: ook Immink week niet in de strijd die hij leverde met zijn bazen; hij zwol juist groter en groter.

Velzel heb ik het hele hoofdstuk over Immink toegestuurd en gevraagd om het door te lezen. Hij antwoorde daarop kort: ‘Ik denk dat het verhaal zoals verteld in grote trekken correct is, maar ik vraag me af of het niet te uitvoerig is. Zou het niet sterker zijn, en beter voor het boek als geheel, om deze zaak in tien regels af te doen?’

Immink minder aandacht geven, dat was me vaker op het hart gedrukt. Dat hij opnieuw de schijnwerpers pakte, daar zaten weinig mensen op te wachten. Ik gaf hem opnieuw een podium en dat verdiende hij niet, vonden velen.

Voor het grote publiek is het hele verhaal rondom de compact disc echter zodanig met Immink verbonden dat ik het wenselijk, redelijk en juist achtte om in een helder betoog het een en ander recht te zetten. Mijn schrijfwerk voor het cd-boekdeel is nooit een queeste geweest tegen Immink, maar met alle geruchten, roddels en mijn eigen ervaringen wilde ik wel weten hoe het zat. Het is gelopen zoals het is gelopen en ik besef dat hij er behoorlijk van langs krijgt in ons boek.

In juli heb ik Immink een mail gestuurd met de twee belangrijkste aantijgingen in mijn boek: de zelfnominatie via Jan Romijn en de bewering dat hij niet de basis heeft gelegd voor de EFM-kanaalcode, zoals hij beweert. Na een paar dagen kreeg ik antwoord. Immink hield zich op de vlakte. Hij schreef dat Romijn niets te maken had met de nominaties. Voor zijn uitvindingen verwees hij me naar de Philips Octrooidienst. ‘Het wordt dan duidelijk hoe het zit zonder op falende menselijke geheugens te hoeven vertrouwen’, aldus zijn schrijven. Immink weet maar al te goed dat Philips’ patentdossiers niet openbaar zijn.