Koen Vervloesem
28 May 2012

De Belgische EMS-specialist Connect Group produceert in Tsjechië en Roemenië maar ook in diverse West-Europese bedrijven kabels, printplaten en volledige assemblages. Sales- en marketingdirecteur Herman Struiwigh ziet nog veel potentieel in de markt en is zelfs optimistisch over de Europese maakindustrie.

Sinds zijn oprichting in 1987 is de Connect Group uit Kampenhout uitgegroeid tot een Europees netwerk van productie-eenheden met circa tweeduizend werknemers. Het begon met kabelassemblage, maar in de loop der jaren kwamen daar ook PCB‘s en complete elektronische assemblages bij. Volgens Herman Struiwigh, sales- en marketingdirecteur van Connect, is dat een van de sterke punten van zijn bedrijf. ’We zijn een van de weinigen die een geïntegreerd aanbod leveren van zowel kabels als printplaten en volledige assemblages.‘

Herman Struiwigh van Connect ziet de elektronicaproductie terugkeren naar Europa.

Die evolutie naar steeds completere oplossingen is volgens Struiwigh een rechtstreeks gevolg van de marktontwikkeling in subcontracting. Klanten willen steeds meer uitbesteden, en dat proces is volgens hem nog niet ten einde. Die verbreding van wat ze willen uitbesteden ziet hij zowel bij de start van een product – bijvoorbeeld in ontwikkeling en ondersteuning – als aan de servicezijde – bijvoorbeeld in lifecyclemanagement.

Meer uitbesteding

Deze evolutie vereist wel dat klanten open genoeg moeten zijn met hun onderaannemer als ze willen dat die het onderste uit de kan haalt, benadrukt Struiwigh. ’De rol tussen klant en leverancier wisselt tijdens dergelijke brede en complexe projecten constant omdat wij als leverancier dan meer verantwoordelijkheid hebben en de klant daardoor meer informatie met ons moet uitwisselen. Zo zal hij op sommige momenten de rol van leverancier op zich moeten nemen als wij informatie van hem nodig hebben.‘ Klanten die voor deze nieuwe vorm van samenwerking openstaan, zullen volgens Struiwigh in staat zijn om hun concurrentiepositie te verbeteren.

De relatie tussen klant en onderaannemer is tegenwoordig dus wel wat ingewikkelder aan het worden. ’De klant heeft een idee en tijdens het overleg met ons plaatsen we daar onze technologie naast en kijken we wat we samen kunnen ontwikkelen‘, legt Struiwigh de aanpak van Connect uit. ’We hebben ook relaties met universiteiten en Imec en zijn in samenwerking met hen actief in allerlei basisonderzoek. Zo kunnen we ook opdrachten uitvoeren met complexe processpecificaties.‘

In Nederland en België is deze evolutie naar een breder domein van uitbesteden al een tijdje gaande. In Duitsland ziet Struiwigh echter nog veel potentieel. ’Duitse bedrijven zijn in het algemeen groter dan Nederlandse en Belgische, waardoor de evolutie van subcontracting er achterloopt: grote bedrijven houden liever langer zelf alle touwtjes in handen voordat ze om diverse redenen besluiten om zaken te gaan uitbesteden.‘

Struiwigh gelooft stellig dat de algemene onderaannemer die alles kan, gaat verdwijnen; door de trend naar meer uitbesteding moeten leveranciers kennis opdoen van de markt waarin hun klant zich beweegt, bijvoorbeeld over de kwaliteitseisen en regelgeving. Dat kunnen leveranciers niet voor een groot aantal markten doen, dus dit dwingt hen om zich te specialiseren. ’Wij zijn in een tiental markten actief, maar zijn ons nu wel aan het focussen op een aantal daarvan‘, legt Struiwigh uit.

Voor twee markten heeft Connect al businessunits opgericht: het spoor enerzijds en de medische industrie en gezondheidszorg anderzijds. ’In beide markten zien we heel wat groeipotentieel. Mobiliteit zal in de toekomst nog belangrijker worden, onder meer door de globalisering. En healthcare heeft het laatste decennium een grote sprong gemaakt, mede door de vergrijzing en toenemende vraag naar zorg, en gaat volgens ons nog blijven groeien.‘

Connect overweegt verdere stappen in een aantal andere focusmarkten. Energie en visualisatie zijn twee technologieën waarover het nu nadenkt. ’Dat zijn op zich geen markten, maar wel een verzameling technologieën met specifieke kenmerken die zowat dezelfde aanpak vereisen. Ik denk bijvoorbeeld aan energiebeheersing, met onder meer windenergie, zonneënergie en elektrisch vervoer. En bij visualisatietechnologieën denk ik bijvoorbeeld aan passagiersinformatiedisplays. Wij menen dat de vraag naar deze technologieën zich in de toekomst sneller zal ontwikkelen dan andere markten.‘ Beide technologieën sluiten goed aan in de markten die Connect reeds heeft gekozen en bij de markt die ze ’traffic‘ noemen: elektronica die wordt gebruikt in het domein van mobiliteit, zoals parkeren, wegsignalering en veiligheidssystemen.

Vier redenen

Connect heeft vooral gekende grote bedrijven als klant, waaronder Alstom, ASML, Atlas Copco, Barco en Philips. Veel van hen zijn weinig conjunctuurgevoelig, waardoor de Kampenhoutse EMS-specialist volgens Struiwigh de gevolgen van een crisis slechts in beperkte mate voelt. ’Het ziet er nog altijd uit dat we de doelstellingen van dit jaar gaan halen. Als er bijvoorbeeld een trein gemaakt moet worden waar wij als onderaannemer aan meewerken, dan is daarover al lang geleden beslist. Die productie wordt niet stopgezet tijdens een crisis.‘

Struiwigh maakt zich zelfs sterk dat een wat minder goede conjunctuur beter is voor de verkoopmogelijkheden. ’Dit geeft ons een betere positie, want klanten zijn dan meer bereid om naar ons te luisteren en staan meer open om met ons samen te werken. De geschiedenis toont ook aan dat periodes van laagconjunctuur de beste ideeën en nieuwe initiatieven opleveren. Die periodes zijn voor ons dan ook essentieel om nieuwe klanten te vinden.‘

Met zijn businessunit voor de railway-markt maakt Connect onder meer deurbesturingen.

In Europa krijgt Connect te maken met behoorlijk wat concurrentie, zegt Struiwigh. ’Er zijn een stuk of 25 Europese bedrijven van gelijkaardige omvang als wij die in dezelfde markten actief zijn. Er zijn natuurlijk verschillen in focusmarkten, maar je komt deze groep altijd tegen bij de grotere klanten. In Nederland wil bijvoorbeeld iedere onderaannemer wel opdrachten bij ASML of Philips Healthcare binnenhalen.‘

Onlangs kocht Connect alle aandelen van zijn branchegenoot Halin uit Veldhoven. Halin is als onderaannemer voor elektronica en mechatronica voornamelijk actief in Nederland, met als belangrijke klanten Axon Digital Design en Philips. De Kampenhoutse EMS-specialist beoogt met deze overname zijn positie in Nederland te versterken.

Volgens Struiwigh waren er vier redenen om Halin in te lijven: ’Ten eerste kochten we zo marktaandeel bij. Ten tweede had onze bestaande Nederlandse vestiging in Rijen te weinig elektronicakennis en projectontwikkeling, zodat we Halin ook gedeeltelijk voor de kennis hebben overgenomen. Ten derde: ondanks de redelijke positie die we in Nederland hadden opgebouwd, merkten we toch dat er voor Nederlandse klanten een praktische barrière was als ze naar België moesten afreizen, zeker als het ging om kennisoverdracht tijdens de ontwikkelfase van een product. En ten vierde beschikt Halin over een medisch kwaliteitscertificaat Iso 13485, wat we belangrijk vonden voor onze plannen om te focussen op de medische industrie.‘

Krimpende pool

Connect is actief in hoogtechnologische niches waar de volumes relatief klein zijn en klanten veel belang hechten aan kwaliteitsaspecten, flexibiliteit en betrouwbaarheid. Volgens Struiwigh voelt het bedrijf dan ook weinig concurrentie uit lagelonenlanden zoals China en India. En dat zal niet zo snel veranderen, denkt hij: ’Door de trend naar meer en meer uitbesteding wordt communicatie en marktkennis des te belangrijker.‘

Voor de productie zelf maakt Connect wel gebruik van lagelonenlanden, maar niet in het Verre Oosten. ’Wij hebben productiefaciliteiten in Tsjechië en Roemenië. De integrale productiekosten liggen daar wel hoger dan in China of India, maar voor de klanten in onze markten nog acceptabel. Zij vinden communicatie en flexibiliteit belangrijker.‘

Voor het aspect flexibiliteit geeft Struiwigh een voorbeeld: ’Hoe groter de afstand, hoe minder flexibel. Een boot uit China is immers vier weken onderweg, dus je kunt niet snel de productiehoeveelheid verhogen of verlagen. Als de markt van onze klanten dus volatiel is, ben je beter af met een productiefaciliteit in Tsjechië of Roemenië.‘

Ondanks dat globaal gezien veel maakindustrie naar lagelonenlanden verhuist, signaleert Struiwigh de laatste maanden ook een omgekeerde beweging. ’Ik weet niet of dit zich gaat doorzetten, maar ik zie tegenwoordig klanten terugkomen die eerder gekozen hadden voor productie in lagelonenlanden. De salarissen daar stijgen ondertussen sterker dan de onze. Ook de lonen in Roemenië zijn al niet meer zo laag als ze geweest zijn. Ik denk dat er uiteindelijk dus wel een natuurlijke balans zal komen, en ik ben helemaal niet pessimistisch over de maakindustrie hier.‘

Een tweede reden die Struiwigh ziet voor de terugkeer van de productie naar Europa is dat grotere bedrijven meer en meer de risico‘s willen spreiden. ’De laatste maanden merken wij dat klanten beginnen na te denken over de risico‘s van overstromingen, aardbevingen en andere natuurrampen, die we recentelijk zo vaak in Azië hebben gezien. Ze willen hun activiteiten omwille van risicospreiding daarom over diverse werelddelen verdelen voor als er een ramp gebeurt, en zo komen Europese productiefaciliteiten terug aan bod.‘

Struiwigh is wel pessimistisch over de steeds krimpende pool van technisch geschoolde mensen. ’Ik heb sterk de indruk dat de jeugd geen technisch beroep meer kiest in België, Nederland en Duitsland. De kennis en kunde die wij nodig hebben, is niet makkelijk meer te vinden op de markt. Nu het geen hoogconjunctuur is, valt het nog mee, maar zodra de economie weer aantrekt, gaat het tekort groot zijn. Het zou best kunnen dat bedrijven in onze sector zich meer moeten toeleggen op het omscholen van mensen zonder technische opleiding.‘