Intellectuele Patstelling

Reading time: 3 minutes

Author:

’Volgens jou is dat er dus zo een?‘ Onder zijn borstelige wenkbrauwen keek de octrooigemachtigde me licht spottend aan. Als jonge uitvinder zat ik bij hem om mijn eerste octrooivoorstel toe te lichten. De ervaren octrooigemachtigde vond dat een mooi moment om mij eens uit te leggen hoe dat met die intellectuele rechten zat. ’Weet je wel dat van de duizend octrooien er negenhonderd zo de vuilnisbak in kunnen? Van de overige zijn er negentig bruikbaar als vulling van ons kruislicentiepakket. Het doet er niet toe wat erin staat, als het maar over het goede onderwerp gaat. Van de laatste tien doet de inhoud er wel toe: negen  komen vroeg of laat in onderhandelingen op tafel. En die laatste, daar doen we het om, jongen! Die levert echt geld op. En dit voorstel van jou, dat is er volgens jou dus zo een?‘

Sinds dit voorval een kwart eeuw geleden speelde, is er heel wat veranderd rond octrooirechten en IP. Het begrip intellectual property omvat meer categorieën dan de standaard contrapties. Technologieën, merken, methoden en soms software kunnen onder IP-bescherming vallen. Het toetsen van de nieuwheidswaarde gebeurt door de octrooigemachtigde en wordt door de Europese octrooiraad gecontroleerd. Zelfstandige marktgerichte octrooibureaus proberen natuurlijk de grenzen op te zoeken van die ’nieuwheid‘ en zo explodeert de hoeveelheid octrooien. En als er een probleem ontstaat, dan hebben de advocaten ook weer wat te doen. Iedereen blij dus!

De laatste jaren is het spelen met octrooirechten verheven tot een ware volkssport. Bedrijven, overheidsonderzoeksinstellingen en universiteiten lezen de opgewonden verhalen over grote jongens die elkaar te lijf gaan over de precieze formulering van een octrooi. Magma en Synopsis hebben elkaar een paar jaar het leven zuur gemaakt, tot ze voor een fractie van hun advocatenkosten hebben geschikt. Broadcom en Qualcomm gebruiken inmiddels elke productintroductie om elkaar voor de rechter te mogen spreken. Zo gaat het maar door. Het gaat natuurlijk al lang niet meer over de feitelijke bescherming van intellectueel eigendom.

Het kon niet uitblijven dat de managers in overheidsinstellingen wereldwijd op het idee kwamen dat hun denkkracht vlot om te zetten is in inkomsten. Overheidsdienaren, die beter bekend zijn met geld uitgeven dan verdienen, denken met een ’IP-coördinatiebureau‘ een onuitputtelijke geldbron aan te boren. Het enige wat gebeurt, is dat de betreffende IP-coördinator nadrukkelijk probeert het belang van zijn bezigheid duidelijk te maken. Elk contact tussen een overheidsinstelling en het bedrijfsleven is reden om weer eens even verschrikkelijk moeilijk te doen met stapels formulieren en procedures. Onbekend met de wijze woorden van mijn octrooigemachtigde en opgefokt met opgeschroefde (financiële) eisen blokkeren zij vervolgens elke samenwerking. Deze vorm van geïnstitutionaliseerde obstructie heet ’valorisatie‘ en leidt in diverse landen om ons heen tot een Intellectuele Patstelling.

Nederland was een uitzondering. Wij kennen al twintig jaar het voorbeeld van het convenant, waarmee de universiteiten en de industrie (Philips) hun samenwerking regelen. Eenvoudige regels stellen de compensatie vast voor diverse vormen van IP. Zonder de tussenkomst van coördinatoren of valorisatieambtenaren blijkt een soepele samenwerking mogelijk, waardoor bijvoorbeeld al meer dan honderd promoties zijn gerealiseerd en diverse octrooien verleend. In het huidige veranderende industriële landschap moeten we een nieuw model vinden. Hopelijk zijn de bestuurders in Delft, Eindhoven en Twente voldoende alert om daarbij de aloude ingenieurswijsheid te volgen: ’Van dingen die goed werken, moet je afblijven.‘